Klacht ABSU en BFG bij EU Commissie over ongecontroleerde steun

september 15, 2017 in België

Europese CommissieDe Algemene Belgische Schoonmaakunie (ABSU) en de Belgische Federatie Groenvoorzieners (BFG) hebben samen een formele klacht ingediend bij de Europese Commissie met betrekking tot de ongecontroleerde steun ten gunste van de sociale economie in België. Beide beroepsorganisaties menen dat deze steun de eerlijke mededinging verstoort en vragen dan ook dat het ‘level playing field’ zou worden hersteld.

ABSU en BFG vertegenwoordigen de belangen van de ‘reguliere’ ondernemingen, die actief zijn in de schoonmaaksector en in de sector van tuinaanleg en -onderhoud. De leden van deze twee organisaties stellen samen zo’n 38.000 werknemers tewerk, inclusief een groot aantal kwetsbare werknemers die geen hogere opleiding hebben genoten of die afkomstig zijn uit andere landen.

Toenemende concurrentie
Deze ‘reguliere’ schoonmaakbedrijven en groenvoorzieners ondervinden een toenemende concurrentie vanwege onrechtmatig gesubsidieerde ondernemingen uit de ‘sociale economie’.

Op grond van de Europese staatssteunregels kan steun worden voorzien ten behoeve van de aanwerving en de tewerkstelling van bepaalde werknemers. Zo kunnen onder welbepaalde voorwaarden (loon)subsidies worden toegekend voor de tewerkstelling en de opleiding van kwetsbare werknemers en ondersteunend personeel. Dergelijke subsidies compenseren het productiviteitsverlies en de bijkomende kosten die gepaard gaan met de inschakeling van dergelijke werknemers. De bedoeling van deze steun bestaat er zeer specifiek in om de ondernemingen die kwetsbare werknemers tewerkstellen in staat te stellen om op gelijke voet te concurreren met ondernemingen die geen dergelijke werknemers tewerkstellen.

Verkeerde implementatie
In België wordt dit waardevolle idee evenwel op een volledig verkeerde manier geïmplementeerd. Zo dient vooreerst te worden vastgesteld dat de steun in België volledig actor-gebonden is. Enkel de ondernemingen die vanwege de overheid een speciale erkenning of mandaat hebben verkregen, komen in aanmerking voor de steunmaatregelen. Zo zal een ‘regulier’ schoonmaak- of tuinbouwbedrijf, die een laagopgeleide werknemer aanwerft en opleidt, hiervoor geen financiële tegemoetkoming verkrijgen. In het geval diezelfde werknemer daarentegen aan de slag zou gaan bij een sociale werkplaats in Vlaanderen of een ‘entreprise d’insertion’ in Wallonië zou die onderneming hiervoor een subsidie ontvangen die kan oplopen tot 36.000 EUR per jaar.

Voorts worden de diverse steunmaatregelen van de federale, regionale en lokale overheden veelal geïmplementeerd zonder dat er een controle wordt uitgevoerd inzake de reeds toegekende steun. Dit geeft dan ook heel vaak aanleiding tot een ongeoorloofde cumulatie, waarbij het totale steunbedrag hoger is dan de voor steun in aanmerking komende kosten. In het geval van loonsubsidies betekent dit dat de subsidies niet enkel de volledige loonkost dekken maar dat de ondernemingen in feite een bijkomende ‘bonus’ krijgen voor elke werknemer die zij tewerkstellen.

Niet in overeenstemming
Tot slot zijn de steunmaatregelen op bepaalde punten ook niet in overeenstemming met de specifieke voorwaarden voorzien in de Europese staatssteunregels. Zo blijkt uit diverse rapporten en verklaringen vanwege de bevoegde nationale autoriteiten dat er een probleem is wat betreft de maximale steunintensiteit en de maximale duurtijd van een aantal steunmaatregelen.

Bovenstaande elementen hebben tot gevolg dat de steun ten behoeve van de specifiek daartoe erkende sociale economie-ondernemingen deze laatsten niet enkel compenseert voor bepaalde bijkomende kosten die voortvloeien uit de inschakeling van kwetsbare werknemers, maar hen integendeel in staat stelt om de niet-gesubsidieerde ‘reguliere’ ondernemingen uit de markt te prijzen. Dit is vooral het geval in de schoonmaaksector en in de groensector, waar de loonkost veruit de belangrijkste kostenpost betreft en waar, gelet op de specifieke eigenschappen van deze sectoren, de ‘reguliere’ ondernemingen eveneens een groot aantal kwetsbare werknemers aanwerven en opleiden zonder dat zij hiervoor evenwel enige steunmaatregel ontvangen.

Deze tendens manifesteert zich vooral in het kader van overheidsopdrachten waar ‘sociale’ ondernemingen vaak prijzen bieden die voor ‘commerciële’ ondernemingen onhaalbaar zijn.

Averechts effect
De onrechtmatige steun ten behoeve van de sociale economie heeft bovendien een averechts en zelfvoorzienend effect. Vermits de ‘reguliere’ ondernemingen niet kunnen concurreren met de prijzen die door de gesubsidieerde sociale economie-ondernemingen worden gehanteerd, zullen zij steeds meer marktaandeel verliezen en uiteindelijk werknemers moeten ontslaan. Na hun ontslag, en wellicht veelal een periode van werkloosheid, komen deze werknemers vaak in het ‘sociale’ arbeidscircuit terecht. Deze gesubsidieerde re-integratie gaat evenwel gepaard met minder voordelige arbeidsvoorwaarden en een veel hogere kost voor de maatschappij.

Verzoek ABSU en BFG
ABSU en BFG vragen dan ook met klem om een ‘level playing field’ te creëren, waarbij, binnen de grenzen van de Europese staatssteunregels, overheidssteun zou worden toegekend aan alle ondernemingen die inspanningen leveren voor de tewerkstelling van kwetsbare werknemers. Het gaat hierbij niet enkel om het wegnemen van problemen en misbruiken, maar ook om het creëren van nieuwe kansen voor een eerlijke samenwerking tussen sociale en reguliere ondernemingen.